![]() | De verpleging kan mijn vader niet aan zonder stevige medicatie | ||
| 29 mei 2008 | Al
jarenlang krijgt mijn vader dormicum. Het is een middel dat versuft en
verslapt. In de mist van de alzheimer verzet mijn vader zich, als hij
ertoe in staat is, tegen het wassen en verschonen in de ochtend.
Krabben, knijpen, grommen, roepen: het gebeurt allemaal onregelmatig,
ongecontroleerd en instinctief. Alleen als de dormicum hem heeft
versuft, kunnen de verpleegkundigen hem aan. Het is vreselijk, maar
helaas noodzakelijk. Een leefbaar alternatief is er niet. Er is een probleem: mijn vader raakt gewend aan dormicum. De dosis moet worden verhoogd om hetzelfde effect te sorteren. En ik weet helaas dat stopzetten geen optie is. In het verpleegtehuis is een behoorlijke doorloop. Oudere, ervaren krachten houden er dikwijls mee op, om te worden afgelost door jonge, ranke, tengere meisjes die aan het begin staan van hun loopbaan als verpleegkundige. Zelfs al kunnen drie tot vier van dit type meisjes zich op hetzelfde moment vrijmaken om mijn vader aan te pakken, dan nog is het een ongelijke strijd tegen mijn vaders inmiddels grote en forse, vaak onhandelbare lijf. Dus komt er nu een spierverslappend middel bij. Eentje die zo min mogelijk bijwerkingen heeft, dat dan weer wel. En hij krijgt nog een prozac-achtig medicijn, omdat hij in zijn dementie een depressieve indruk maakt. Dat vermoeden de artsen en verpleegkundigen tenminste, maar niemand kan met zekerheid zeggen wat er precies in mijn vader omgaat. De bezoekers van mijn vader reflecteren hun eigen emoties van mijn vader op hem. Ze denken allemaal te weten wat een gebaar, een reactie of een zenuwtrekje inhoudt. Als reactie op een naam kan mijn vader een kreet slaken, een oog openen of snikken als in een heuse huilbui. Het wordt maar al te vaak voorzien van een hoopvolle betekenis door zijn bezoekers. We willen zo graag dat hij nog een betekenis kan geven aan een emotie. Ik eigenlijk ook. Maar de rationele gedachte volgt al snel. Als mijn vader een andere, totaal onbekende naam zou horen, zou hij hetzelfde hebben gereageerd. Of juist niet. Er zit namelijk helaas nauwelijks verband tussen de zichtbare emotie en de inhoud die wij, naasten, aan mijn vader voorleggen. Het is een mensonterende gedachte, dat mijn vader alleen in gedrogeerde staat niet vervuilt. Het verzorgingstehuis, de verpleegsters en de verantwoordelijke arts vallen in deze niets te verwijten. Ze doen hun best met de middelen die hen ter beschikking staan. Eerder definitief menswaardig afscheid nemen, zoals mijn vaders wilsbeschikking luidde, is in de praktijk niet af te dwingen. Dan maar zo. Mijn vader was vroeger als de dood dat zijn kinderen in aanraking zouden komen met drugs. Gelukkig is die vrees hem bespaard gebleven. Ik hoop nu, als zijn zoon, dat hij nu de geneugten van de drugs ten volle mag genieten. Hopelijk vertoeft hij onder invloed in een betere wereld dan ik nu voor hem nuchter kan waarnemen. | ||