| 27 april 2009
| |
In het weekend is het rustig in het verpleeghuis waar mijn vader zonder dat hij het beseft verblijft. Er zit een receptioniste bij de ingang weliswaar, maar als je haar bent gepasseerd, zie je het leven van mensen die uit het drukke leven van alledag zijn weggedrukt. Hier heeft men uren, zelfs dagen de tijd. Hier regeert de pauze naar de volgende maaltijd, niet de mobiele telefoon. Internet is hier een hersenspinsel.
In het weekend zijn er geen zorgmanagers, die met een map onder hun arm langs rolstoelen rennen, op weg naar een geluiddichte kamer. In het weekend worden marginale diensten gedraaid, al vermindert het aantal hulpbehoevende bewoners niet.
Voorbij de gesloten deur van de dementenafdeling bevind ik me ineens in de geur van klamme handdoeken, open wonden en darmsappen. Mijn vader vind ik niet. Zijn kamer is op slot gedraaid. Een demente vrouw die me herkent
– denk ik – wenkt me. Iedere passant is nieuwswaardig. Anderen zitten te zitten, liggen te liggen, of, als dat fysiek mogelijk is, staan te staan. Ik zie geen verplegend personeel. Ik hoor onheilspellende geluiden; veel dementerenden gillen, kraaien en jammeren. Dat zijn degenen die niet zonder toezicht in de gemeenschappelijke huiskamer kunnen verblijven. Mijn vader is vandaag een van hen. Dat kan niet anders.
Ik kan geen verpleegkundige vinden. Kwart voor vier zaterdagmiddag. Tien minuten lang loop ik rond, tussen vele dementerenden. Er moet hier toch wel iemand zijn om toezicht te houden?
Eindelijk kom ik een hardwerkende vrouw in een witte jas tegen. Ze heeft een rood aangelopen gezicht. Een nieuw gezicht voor me. Ze verontschuldigt zich voordat ze de deur naar mijn vader opent: “Ik ken het hier niet zo goed hoor, op deze afdeling”. Een invaller, alleen gelaten in haar lot.
Binnen zit mijn vader, achterover leunend in zijn rolstoel. De deur met het gevangenisslot valt dicht. De godganse dag zit hij hier alleen. Het is een schrale troost dat hij daar vermoedelijk nu nog maar weinig tot niets van mee krijgt. De foto’s van alle vrolijke kleinkinderen aan de muren contrasteren erg met zijn werkelijkheid. Pa kan alleen maar ademhalen, krabben, schreeuwen van ongenoegen, tandenknarsen en zijn mond opensperren als er iets vloeibaars nadert.
Het is zo’n moedeloze, uitzichtloze situatie. Kijk hem nou… Eens was hij een man van groot aanzien. Nu kwijnt hij in eenzaamheid weg. Ik heb zin om hartgrondig, bandeloos en grenzeloos te vloeken. Maar helaas verdomme,
ik ben er te beschaafd voor.
Een JSF-testtoestel minder en alle ouderen in verzorgingstehuizen zouden meer aandacht krijgen. Een JSF-je minder en al die onbeschaafde wantoestanden zouden aanmerkelijk verminderen.
Ik weet het wel, dat mag je niet met elkaar vergelijken, van onze premier. Want:
- het zijn onvergelijkbare grootheden
- dat is niet de politieke werkelijkheid
- dat zijn andere budgetteringseenheden
- dat is een eenzijdige voorstelling van zaken
- dat zijn politieke afwegingen
- het doet geen recht aan de zorg van de totale situatie in de complexe context van deze lastige problematiek
De verpleegkundigen die in de afgebladderde zorg blijven werken verdienen alle steun. Dat zijn de ware helden en heldinnen. De mensen die mijn vader nog wel verzorgen als ze de tijd kunnen vinden, zijn goud waard. Ik verwijt ze helemaal niets. Integendeel, ik neem er mijn hoed voor af en buig.
Maar terwijl de politiek in alle redelijkheid zijn democratische rechtvaardige, afgewogen keuzes maakt, verkommeren onze ouderen, bedlegerigen, chronisch zieken en dementen in eenzaamheid achter gevangenisdeuren.
En wij, de bevolking, moeten zo eerlijk zijn om te erkennen dat wij niet massaal ervoor kiezen om dit te veranderen. Wij hebben het er niet voor over.
Wij dwingen geen humane omstandigheden af. Het interesseert ons te weinig. Want als we wel kiezen voor een betere behandeling van de weggestopte zwakken, moeten we ergens anders een veer laten. We vinden de beschaving niet belangrijk genoeg.
Als ik vertrek kan ik weer geen verpleegkundige vinden. Ik loop zoekend heen en weer, door gangen en ruimtes. De deur van mijn vader moet weer op slot. Niet omdat hij anders wegloopt, of rolt. Hij kan zich niet meer voortbewegen,
al zou hij het willen. Hij kan er niet eens meer aan denken. Maar andere dementerenden zouden wel bij hem binnen komen. Dat is vragen om problemen, dat begrijpt iedereen.
Eindelijk zie ik een voor mij bekend gezicht. Een heldin. Ze is net begonnen aan haar avonddienst. Ze zit meteen in de achtbaan van werkzaamheden.
Ze heeft bijna geen tijd om even weg te lopen en een sleutel om te draaien.
Bij de uitgang naar de alledaagse mensenwereld lachen twee demente vrouwen me tegemoet. “Komt u ons hieruit halen?”, vragen ze hoopvol.
Ik lach dit ongemak met een kwinkslag weg. Nog een paar stappen, dan ben ik weer in de wereld van u en ik. Onze wereld, onze bevolking, onze politieke partijen, die collectief besloten hebben dat we het niet zo erg vinden als mensen aan het einde van hun leven wegkwijnen achter gesloten deuren.
Die keuze hebben we met zijn allen gemaakt op democratische wijze.
Daar moeten we niet over zeuren. Nee, dat moeten we managen.
Philip Kooke |