logo
Hartverscheuren huilen vanuit een ander oord

25 februari 2009

" Kijk, daar is Philip ook, Pa"

Mijn broer Robert Jan is iets eerder dan ik aangekomen in het verpleegtehuis. In de huiskamer van de dementenafdeling, waar mijn vader en zijn medelot-genoten de uitzichtloze dagen, weken, maanden en nu zelfs al jaren door-brengen, herken ik de vertrouwde, weeïge geur van een te volle vuilnisbak op een hete zomerdag vermengd met de lucht van een niet-schoongemaakt toilet.
Na een kwartier ben je eraan gewend. Aan alles kan een mens wennen.
De verpleegkundigen merken er ook nauwelijks meer iets van.
Ik ga bij mijn vader en broer zitten. Pa draait zijn hoofd naar me toe. Hij draait zelfs veel verder dan noodzakelijk is om mij te kunnen zien. Hij kijkt me aan zonder waar te nemen. Zijn pupillen zijn groot, maar ze lijken dwars door me heen te stralen. De focus ontbreekt.

"Ha Pa. Ik ben het, Philip. Hoe is het nou?"

Toegegeven, het is een knap overbodige retorische vraag. Alleen maar bedoeld om mijn stem te laten horen. Als hij nog tot antwoorden in staat was, zou hij zeker zeggen: “Klote jongen, zoals je wel ziet. Het was klote, het is klote en het zal alleen nog maar meer klote worden.”
Daar zit hij dan, in zijn gigantische blauwe sloffen en grijze joggingbroek, tegen de rugleuning van zijn rolstoel gedrukt. Het lichaam is van mijn vader. De geest is eruit gevlogen. Hij is ontmenselijkt. Het is zo triest hem zo te moeten aanschouwen. Meneer Alzheimer heeft hem alle communicatiegereed-schappen ontnomen. Lopen, praten, denken: het is al bijna niet meer voor te stellen dat hij dat wel heeft gekund. Het enige dat er nog is, is zijn grote, bewegingloze lijf.

“Pa! Pa, ik ben het, Philip!”

Ineens huilt hij, hartverscheurend luid. Hij produceert een sonore droevige huiltoon. Tranen rollen langs het groefje bij zijn neusvleugel naar beneden.
Maar hij snikt niet, zoals niet-dementen doen als ze huilen.
Kon ik maar iets voor hem doen, in plaats van naast hem zitten. Waren wij maar in staat hem te troosten. Natuurlijk denk ik even instinctief dat hij huilt, omdat hij:

  • ergens vanuit de diepe mist mijn stem hoort en herkent
  • het contact met mij en Robert Jan natuurlijk heel erg mist
  • hij terugdenkt aan de goede tijden met ons
  • dat hij zijn ziekte verafschuwt
  • dat hij het allemaal even spijtig en vreselijk vindt hoe alles is verlopen
  • dat hij alles over zou willen doen, met onaangetaste hersens,
    samen met ons…

Oh, het is zo verleidelijk om hem dit allemaal toe te dichten. Hij ging immers toch huilen toen hij mijn stem hoorde? Hij kan zich toch verder helemaal niet meer uiten, behalve via het huilen? Dit is toch zijn manier om te zeggen dat hij me mist. Nou dan!
Het zou allemaal kunnen. Maar het kan ook best anders zijn. Wie weet deed mijn stem, of die van Robert Jan, hem herinneren aan zijn jeugd. Of aan zijn boot. Of aan een sappige liefde. Of misschien bracht een klank hem naar een andere wereld. Misschien voelt hij wel helemaal niets en is het huilen in zijn wereld geen uiting van verdriet, maar van een andere emotie.
Het is net religie. Zoek argumenten bij wat je wilt geloven, en je waarheid is geboren. De feitelijke werkelijkheid is bitter: niemand, helemaal niemand,
zelfs geen neuroloog of psycholoog, weet wat hij nu doormaakt of voelt.
Het is daarom bijna weerzinwekkend cynisch als ‘de wil’  van een dementerende geclaimd wordt voor iemands gelijk in een discussie.

Maar we blijven komen in het verpleegtehuis van mijn vader, zolang hij nog ademt. Ongeveer twee keer per maand probeer ik er te zijn. Nee, ik weet niet of hij me opmerkt. Soms is hij niet eens wakker te krijgen. Misschien neemt hij me helemaal niet waar. Maar niet gaan is geen optie. Hij is mijn vader, aan wie ik veel goede herinneringen heb.

Robert Jan voert hem stukjes haring. Eten is nog het enige waar hij van kan genieten. Denk ik. Als zijn mond leeg is, beweegt zijn hand een paar centimenter naar boven. Het is een robotachtige hefboomconstructie: hand iets omhoog, dan valt zijn mond iets open en spert hij zijn ogen wijd open. Zo te zien wil hij nog wel een hapje. ‘Vis moet zwemmen’, roepen we voor de 300e keer. Daarna gaat er een beker verdikte thee achteraan. En koffie, eveneens aangelengd met verdikkingsmiddel.

Een uur later vertrekken we weer, ons eigen leven in.
Het kan morgen voorbij zijn. Dat zou eigenlijk beter voor hem zijn.
Denk ik. Vermoed ik.
Maar het kan ook nog jaren zo doorgaan. Niets is zeker, behalve dat zelfs de meest schrijnende situatie went.
Denk ik.

Philip Kooke

© 2009 alzheimermisbruik.nl | home