logo

Was mijn vader maar een hond


17 augustus 2009

“U moet er rekening mee houden dat er binnen afzienbare tijd een moment komt, waarop u voor de afweging komt te staan of verdere behandeling nog wel zinvol is. Veel mensen besluiten eerder te laat dat het genoeg is,
dan te vroeg.”
De woorden van de dierenarts klonken wellicht cryptisch en wollig, voor mij
als hondenbaasje was deze boodschap kraakhelder. Mijn hond is dertien.
Ze is, ondanks de artrose waar ze al jaren mee moet leven, al ouder geworden dan de gemiddelde leeftijd van haar ras. Mijn hond kwakkelt, is niet meer zo snel, heeft een verminderde eetlust en zakt af en toe spontaan door de achterpoten. Ze is begonnen aan haar laatste hoofdstuk. Dat moeten we zo prettig mogelijk voor haar maken. Als we de indruk krijgen dat ze lijdt – en dat dat alleen maar uitzichtlozer en ondraaglijker wordt – dan zullen we haar van
de pijn moeten bevrijden. Gelukkig is dat moment nog niet aangebroken.
Maar het komt naderbij, onherroepelijk.
In de eerste helft van haar hondenleven ging ze vaak naar mijn vader. Als ik op vakantie ging, als ik voor werk naar het buitenland moest en ze anders teveel alleen zou zijn, dan sprong de hond enthousiast op als ze hoorde dat ze ‘naar het reservebaasje’ mocht. Mijn kinderen noemen mijn vader tot op de dag van vandaag ‘Opa van Puckie’.
Laatst nam ik Puckie nog een keer mee naar het verzorgingstehuis. Ze snuffelde even aan zijn voeten in de rolstoel en ging toen geeuwend liggen.
Er was geen blik van herkenning meer bij mijn vader. Mijn vader herkent al jaren niemand meer. Alleen mensen die moeite hebben met het aanvaarden van de keiharde realiteit van zijn ziekte, beelden zich in dat mijn vader bij het horen van namen daadwerkelijk zijn geheugen in werking kan stellen.
Het is lief bedoeld.
Mijn vader bevindt zich volkomen in de mist. Ik ben blij dat hij zichzelf waarschijnlijk niet meer waarneemt. Dat is het enige voordeel van deze dementie. Mijn vader wilde niet in deze situatie terecht komen. Bij de diagnose kende hij zijn voorland. Een verblijf in een verpleegtehuis was voor hem al voorbij de menselijke waardigheid.
Welbewust heeft hij, samen met zijn huisarts en mij, een wilsbeschikking opgesteld. Hij heeft een stuk of twintig punten opgesomd, zoals niet meer kunnen communiceren, een luier moeten dragen, niet meer zelfstandig kunnen wassen. Afijn, er is weinig fantasie voor nodig om het rijtje af te maken. Hij wist niet beter of hij zou worden geholpen als zijn lijden niet meer draaglijk zou zijn.
Al die punten zijn inmiddels al enkele jaren een gepasseerd station. Mijn vader had er al lang niet meer willen zijn. Dat had hij toch kenbaar gemaakt?
Zijn huisarts wist toch hoe hij erover dacht.? Zijn zoon toch ook?
Nooit zou hij als een willoze, onwaardige plant willen voortleven. Waar leef je dan nog voor? Alleen maar om niet dood te gaan? Is dat dan waardig?
De argumentatie van de dierenarts voor mijn hond is veel humaner dan de afweging die onze politici hebben gemaakt over mensen. En dat terwijl mijn hond niet eens haar wil kenbaar kan maken en mijn vader dat in niet mis te verstane bewoordingen heeft gedaan. Mijn vader – en ik – mochten wensen dat de dierenredenatie ook voor mensen zou gelden.

Is het wel redelijk en opportuun om honden met mensen te vergelijken? Goed dat u dit vraagt. Het ligt in de rede hier onmiddellijk “natuurlijk niet” op te antwoorden. Maar de argumenten stokken hierna meteen, op de dooddoener ‘dat mensen nu eenmaal geen dieren zijn’ na. Dat wisten we wel.
Het past niet om in een moderne Westerse samenleving een mens vanuit de eigen relgieuze overtuiging een ander het recht op zelfbeschikking te ontzeggen. Wat blijft er dan nog over?
Er moet een oplossing komen voor dementerenden die hun lijdensweg, aftakeling en ontmenselijking zien aankomen en deze weg voortijdig willen verlaten. Voor een hond is deze oplossing er al, vertelde de dierenarts. En iedereen vindt die oplossing doodnormaal.

Philip Kooke

© 2009 alzheimermisbruik.nl | home