De Utrechtse rechtbank heeft een huwelijk tussen een bejaarde dementerende vrouw en haar veel jongere achterneef nietig verklaard. Op 1 juli 2008 trouwde dit koppel in gemeenschap van goederen met elkaar. De officier van justitie verzocht de rechtbank het huwelijk nietig te verklaren. Op 22 augustus jl. besloot de rechtbank in te gaan op dit verzoek, omdat de vrouw destijds “niet in staat was haar wil te bepalen of de betekenis van de door haar afgelegde verklaring te begrijpen”. Tevens oordeelt de rechtbank dat de achterneef ten tijde van het huwelijk niet ter goeder trouw was.
Het gaat traag, veel te traag voor wie zich in deze materie heeft verdiept, maar er is heus sprake van voortschrijdend inzicht bij de rechterlijke macht. Dat heeft niet alleen te maken met uitspraken als deze. In motiveringen durft de rechterlijke macht steeds vaker onomwonden recht te spreken. Gelukkig laten rechters zich minder vaak met een kluitje in het riet sturen door dubieuze psychiatrische tegenrapportages, het wijzen op een ‘toevallige heldere dag’ in de dementie van de trouwlustige patiënt of het zaaien van verwarring door juist de beroofde en berooide partijen in een kwaad daglicht te stellen.
In de uitspraak van 22 augustus heeft de Rechtbank van Utrecht geen spaan heel gelaten van de argumenten van de achterneef. De man betwist dat de vrouw niet meer zelfstandig beslissingen kon nemen. De vrouw wenste volgens de man het huwelijk als een vorm van ‘estate-planning’, ten einde haar vermogen fiscaal zo gunstig mogelijk door te geven, zowel voor als na haar overlijden.
Het zal u niet verbazen dat deze dame op leeftijd vermogend was. In de twee jaar voor het huwelijk heeft de man ruim 70.000 euro opgenomen van haar bankrekening, en na de huwelijksdatum nog eens ruim 330.000 euro. De man heeft hiervoor – hoewel hij hiertoe meerdere malen is uitgenodigd – tot heden geen financiële verantwoording afgelegd aan de curator noch inzage verstrekt in zijn bankrekeningen.
De curator stelt dat de man op basis van een duidelijk plan heeft gehandeld om zich te verrijken. Vanaf eind 2006/begin 2007 heeft hij zich gepresenteerd als ‘hulpverlener’ van de vrouw. In augustus 2007 kreeg hij een algehele volmacht, in februari 2008 werd het testament gewijzigd en was de man ineens de enige erfgenaam.
Volgens de officier van justitie van de man al in november 2007 op de hoogte van het geheugenverlies van de vrouw. De officier onderbouwde de aanklacht met verslagen van een geriater en een psychiater. Beide deskundigen stelden dat de cognitieve problemen van de vrouw al enkele jaren in toenemende ernst hebben gespeeld. De geriater acht het uiterst onwaarschijnlijk dat de vrouw in juli 2008 wilsbekwaam was, omdat hij in november 2009 constateerde dat er sprake was van een ver gevorderd dementiesyndroom.
Bovendien procedeerde de achterneef zelf namens de vrouw in november 2007, waarbij in een verzoekschrift werd gemeld dat de vrouw ‘zeer vergeetachtig was’.
Het krachtige van deze uitspraak zit hem in het terugredeneren met kennis van zaken van het normale natuurlijke verloop van de ziekte van Alzheimer. Als dat bij elke rechterlijke uitspraak consequent zou worden toegepast, is de rechtsbescherming van dementerenden weer een beetje beter gewaarborgd.
Philip Kooke |